Tolerantie: deugd of ondeugd? (Frits van Engeldorp Gastelaars)

Hoe om te gaan met verschillen in waardenstelsels? “Ik behoor tot een groep, dus ik ben.” Deze oncartesiaanse uitspraak moet centraal staan in een beschouwing over (in)tolerantie. Immers, tolerantie heeft te maken met interactiepatronen tussen mensen en, zoals we zullen aantonen, uiteindelijk met de relatie van jezelf als persoon tegenover anderen.

19-Teun-Frits van Engeldorp GastelaarsDr. Frits van Engeldorp Gastelaars (1946) is verbonden (geweest) aan diverse universiteiten en hogescholen in binnen- en buitenland, onder meer als universitair hoofddocent Methodologie der bedrijfskunde aan de Rotterdam School of Management, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Daarnaast heeft hij verschillende bestuurlijke functies vervuld. Hij is nu academisch directeur van het Hora est programma (promoveren voor buitenpromovendi) en voorzitter van het bedrijfskunde-programma Promoveren in deeltijd). Als onderzoeker heeft Frits vooral notities over praktijkgestuurd onderzoek richting sociale vraagstukken (dak- en thuislozen, prostitutie, ouderenzorg) gepubliceerd.

Tolerantie: deugd of ondeugd? (download als pdf)

Hoe om te gaan met verschillen in waardenstelsels? “Ik behoor tot een groep, dus ik ben.” Deze oncartesiaanse uitspraak moet centraal staan in een beschouwing over (in)tolerantie. Immers, tolerantie heeft te maken met interactiepatronen tussen mensen en, zoals we zullen aantonen, uiteindelijk met de relatie van jezelf als persoon tegenover anderen.
Laten we eerst het verschijnsel groep nader bezien. Binnen elke groep bestaan interactiepatronen en een aantal daarvan liggen min of meer vast. Laten we dat spelregels noemen. Zulke spelregels kunnen zowel geformaliseerd als informeel zijn. Zo hebben we op het niveau van de natie wetten (geformaliseerd) en cultuur (niet geformaliseerd). Op het niveau van een organisatie hebben we de formele organisatie en de informele organisatie. Op groepsniveau hebben we meestal alleen niet-geformaliseerde gedragspatronen. Wil een groep (op macro- of microniveau) kunnen overleven dan is een zekere mate van overeenstemming nodig over de spelregels. Maar het is ondenkbaar dat er overeenstemming zou kunnen bestaan over alle spelregels. Iedereen behoort tot een menigte van instellingen, organisaties en groepen, en al die instellingen, organisaties en groepen hebben eigen spelregels. Dat betekent dat elke persoon, bewust of onbewust, geconfronteerd wordt met situaties waar conflicterende spelregels gelden. Ik zou nu tolerantie willen definiëren als het accepteren van spelregels die niet je eigen spelregels zijn. Hiermee wordt tolerantie een noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan van redelijk stabiele verbanden in groepen. Wanneer er geen breedgedragen tolerantie is dan zou alleen principieel anarchisme overblijven, en daarmee zouden alle verbindingen exploderen.

Welke mogelijkheden heeft een persoon die geconfronteerd wordt met spelregels waar hij het pertinent mee oneens is? De ‘nette’ oplossing zou natuurlijk zijn de spelregels ter discussie te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan Habermas’ ‘herrschaftsfreier Diskurs’. We leggen spelregels op aan onze discussie over spelregels. Wanneer we Habermas volgen, zou moeten gelden:

  • er mag geen externe dwang zijn;
  • het beste argument geldt;
  • iedereen heeft gelijke kans aan het gesprek deel te nemen;
  • iedere deelnemer moet in staat en bereid zijn eerlijk en transparant te zijn;
  • iedereen moet bereid zijn de basisbeslissingen van zijn leven te laten thematiseren en kritiseren;
  • er is geen bevoorrechte positie op basis van autoriteit door leeftijd, expertise of wat dan ook;
  • iedereen moet bereid zijn zich volledig te verplaatsen in de positie van de tegenspeler;
  • er wordt zolang gediscussieerd tot consensus bereikt is; wanneer deze “nieuwe waarheid” (aanhalingstekens van mij, EdL) aangenomen is, is deze vanaf dat moment richtinggevend voor alle deelnemers.

In mijn leven heb ik nog nooit een discussie meegemaakt die aan deze voorwaarden voldoet. Het idee van een “nieuwe waarheid” ontkent het feit dat zo’n nieuwe waarheid, als hij al ooit gevonden zou worden, door iedere deelnemer in een ander interpretatiekader gezet wordt, zodat de betekenis voor alle deelnemers in de toekomst verschillend zal zijn. Terzijde: ik denk dat het belang van vaagheid in discussies om tot gezamenlijkheid te komen veel groter is dan het belang van “waarheid”. Dit valt echter buiten het bestek van dit stuk.

Waarom refereer ik hier aan de benaderingswijze van Habermas wanneer ik daar zelf kennelijk niet in geloof? Het interessante is dat Habermas spelregels opstelt voor discussie over spelregels. Maar hiermee komen we in de valkuil van de ‘infinite regress’. Waar spelregels conflicterend zijn, zullen ook spelregels over het omgaan met conflicterende spelregels conflicterend zijn. Laten we een actueel voorbeeld nemen. In de Westerse democratie proberen we (althans in eerste instantie) tolerant te zijn tegenover andere waardesystemen. Nu worden we geconfronteerd met Al Qaida, dat geweld ziet als oplossing voor conflicterende waardesystemen. Wij willen – tolerant als we zijn – een vrije discussie over waardesystemen volgens Habermas’ streefmodel, Al Qaida probeert in deze discussie gelijk te krijgen door geweldpleging. De spelregels over het omgaan met conflicterende spelregels blijven conflicterend.

Als er dan al geen ‘nette’ manier is om met conflicterende spelregels om te gaan, dan moet men improviseren in zijn gedrag. Laten we een aantal voorbeelden bezien in verschillende mate van ernst, om gedragsalternatieven te benoemen. Ik gebruik hier het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’ om mogelijke gedragskeuzen te koppelen aan een persoon.

Voorbeeld 1: Mijn spelregels zijn van Hollandse burgersnit, zeg maar als van het Nederland van 1950. Ik zie dat jonge kinderen van tweede generatie immigranten een zekere mate van buurtterreur uitoefenen, Habermas zal geen oplossing geven. Wat moet ik doen?

Voorbeeld 2: Mijn familie komt uit een derdewereldland en ik ben opgevoed in een traditie dat men zijn gelijk moet bevechten. Regelmatig voel ik dat ik achtergesteld word door autochtonen. Dat gebeurt in disco’s, in winkels, in tram en trein, en bij sollicitaties. Wat moet ik doen?

Voorbeeld 3: Ik ben werkzaam in een organisatie. Ik werk regelmatig samen met een prima collega. Ongelukkigerwijs draagt hij zijn hart op de tong en daardoor wordt hij steeds tegengewerkt door zijn directe baas. Dit resulteert in een ontslagprocedure die weliswaar juridisch hout snijdt, maar die ik als onterecht en achterbaks kwalificeer. Toch is het wel de baas die gebruik maakt van zijn hiërarchische rechten. Wat moet ik doen?

Voorbeeld 4: Ik leef in een onbarmhartige militaire dictatuur en ik zie hoe vrienden van mij spoorloos verdwijnen. Wat moet ik doen?

Niet toevallig zijn deze voorbeelden zo gekozen dat soms sprake is van grote machtsverschillen en soms van kleine machtsverschillen. Ik denk dat de grote verhalen over bezetting en machtsmisbruik duidelijk kunnen maken wat de keuzemogelijkheden zijn in de kleine verhalen.

Er zijn in essentie vier verschillende manieren om te reageren op botsende spelregels, te weten:

  • proberen een open contact te blijven onderhouden, om zo naar elkaar toe te groeien;
  • wegkijken van het conflict;
  • overnemen van de niet-eigen spelregels;
  • verzet plegen tegen de niet-eigen spelregels.

We zullen aan de hand van eerder genoemde voorbeelden proberen duidelijk te maken wat voor- en nadelen zijn. Daarna zullen we ingaan op het probleem welk van de benaderingen onder welke omstandigheden gekozen kunnen worden.

Open contact onderhouden

Het beste voorbeeld is natuurlijk de uitspraak van Job Cohen, dat hij “de boel bij elkaar probeert te houden”. Eerder hebben we al gesteld dat tolerantie een noodzakelijke voorwaarde is voor een stabiele samenleving. Dat is precies wat hier aan de orde is. Maar is het in alle gevallen een goede strategie? Wanneer de niet-eigen spelregels bedreigend zijn voor diezelfde samenleving, dan zal weerstand geboden moeten worden. Het conflict tussen de PVV en Job Cohens uitspraak is terug te voeren op een verschil van inschatting hoe bedreigend de niet-eigen spelregels worden ervaren. Laten we een extremer voorbeeld nemen om dit punt duidelijk te maken: hadden we een open contact moeten onderhouden met de Duitse bezetter in de jaren 40-45? Het lijkt onmogelijk het noodzakelijke respect op te brengen voor elkaars spelregels in zo’n situatie.

Wegkijken

Wegkijken heeft het grote voordeel dat het de bestaande structuren ongemoeid laat. Laten we wel wezen: onze zuilenmaatschappij bestond bij de gratie van het wegkijken. Iedereen wist precies welke middenstandszaken katholiek, protestants en joods waren. Andere geloofsgroepen werden getolereerd, mits ons eigen cultuurpatroon met rust gelaten werd. Hetzelfde gedragspatroon was dominant ten opzichte van de immigranten in de tweede helft van de vorige eeuw. Met de kennis van nu wordt geconstateerd dat deze houding niet tolerant, maar onverschillig was. Maar onverschilligheid is ook een vorm van tolerantie. Wegkijken heeft het grote voordeel dat je eigen positie geen onderdeel van het conflict wordt. Het geeft persoonlijke veiligheid. Bovendien, niemand kan verwachten dat men zich verantwoordelijk voelt voor alle problemen in deze wereld. Je kunt niet anders dan weg te kijken van verreweg het grootste deel van bestaande conflicten.

Maar dan nu het tegenargument. Je woont in een buurt waar je buurman geterroriseerd wordt door nieuwkomers. Misschien dat de man het aan zichzelf te wijten heeft: hij is lastig, belt regelmatig de politie en leeft op voet van oorlog met een stelletje opgeschoten jeugd. Resultaat is dat de voorruit van zijn auto al een aantal keren is ingeslagen, dat er brandend materiaal in zijn brievenbus gegooid wordt, enzovoort. Je ziet welke jongens dat gedaan hebben, maar je gaat daarmee niet naar de politie. Immers, het is niet je eigen probleem, en je maakt jezelf tot nieuw slachtoffer wanneer je partij trekt voor de buurman. En je hebt je buurman al tien keer gezegd dat hij zich moet matigen in zijn agressie, het is dus zijn eigen schuld! Het wegkijken in dit voorbeeld kan leiden tot een toegestane verloedering van de buurt. Laten we opnieuw een extreem geval nemen om de consequenties van het wegkijken duidelijk te maken. Dominee Niemöller zei in een preek vlak na de tweede wereldoorlog:

Als die Nazis die Kommunisten holten, habe ich geschwiegen; ich war ja kein Kommunist.
Als sie die Sozialdemokraten einsperrten, habe ich geschwiegen; ich war ja kein Sozialdemokrat.
Als sie die Gewerkschafter holten, habe ich nicht protestiert; ich war ja kein Gewerkschafter.
Als sie die Juden holten, habe ich geschwiegen; ich war ja kein Jude.
Als sie mich holten, gab es keinen mehr, der protestierte.

Verdere uitleg is overbodig, Wanneer essentiële waarden in het geding zijn, leidt wegkijken tot verloedering van de eigen omgeving.

Aanpassing

Daarvan is sprake wanneer we de niet-eigen spelregels niet eens ter discussie stellen, maar ze in de plaats stellen van onze eigen spelregels. In het extreme voorbeeld van de Duitse bezetting noemen we dit gedragspatroon collaboratie. Maar soortgelijk gedrag bestaat ook in minder ernstige situaties. Wanneer een baas rechtmatig, maar zeer ten onrechte, een goede collega ontslaat, en wanneer we de macht van de baas om dit te doen niet aanvechten, dan collaboreren we met de organisatiemacht. Opnieuw is hier een dilemma. Wil je de organisatie levensvatbaar houden dan kun je niet steeds opnieuw de beslissingsmacht aanvechten; bovendien speelt hier opnieuw het punt van de eigen veiligheid. Anderzijds leggen we ons neer bij een hiërarchie zonder rechtvaardigheid waar we zelf ook slachtoffer van kunnen worden.

Verzet

Tenslotte kunnen we in verzet komen tegen niet-eigen spelregels. De macht van een organisatie over zijn leden is niet groter dan wat aan macht toegekend wordt door diezelfde leden. Hetzelfde geldt voor de macht van de overheid. Het verzet tegen de overheid kan vele vormen aannemen. Van het uitdelen van krenten tot bezetting van het Maagdenhuis; van antikernwapenbetoging tot het saboteren van kernafvaltreinen; van schelden tot politieke moord.

Is tolerantie een deugd of een ondeugd? De verbinding in een samenleving is een groot goed. Maar soms moet een mens zich niet laten verbinden in een constructie die zijn eigen waarden teniet doet. Er bestaat dus voor een persoon die geconfronteerd wordt met niet-eigen spelregels een ethisch dilemma. In het begin hebben wij de niet-cartesiaanse stelling geponeerd: “Ik behoor (tot een groep) dus ik ben”. Nu komen we tot de humanistische stelling: “Ik ben, dus ik behoor (te kiezen)”. Er moet afgewogen worden hoe groot het belang van verbinding is ten opzichte van het gevaar wanneer niet ingegrepen wordt. Daarnaast heeft de keuze ook te maken met de eigen durf, de mate van verontwaardiging, het belang van de zaak en (last but not least) de effectiviteit van het te plegen verzet.

Wanneer we accepteren dat in sommige gevallen verzet te prefereren valt boven tolerantie dan zijn de consequenties nogal onaangenaam. Hoe moeten tolerante mensen zich opstellen tegen intolerante verzetplegers? In de actuele politiek (in Nederland, maar ook in veel andere landen in Europa) zien we een steeds sterkere stroming van verzet tegen moslimcultuur. Het verzet gebruikt daarbij alle middelen die bij verzet horen: versimpeling, haat zaaien, symboolpolitiek, bespotten. Het verzet is legitiem, en de gebruikte middelen zijn misschien abject, maar niet gewelddadig. (Terzijde: ik zou me heel goed kunnen vinden in het idee dat de uitzettingspolitiek die door het antimoslimverzet wordt bepleit wel degelijk gewelddadig is.) Van de andere kant bekeken, je bent allochtone jongere in Nederland en je wordt geconfronteerd met ridicule spelregels over man/vrouw verhoudingen, homoseksualiteit, Darwinisme, Joods slachtofferschap in de tweede wereldoorlog en ontkenning van geweld . Mag, respectievelijk moet je dan in verzet gaan?

Degene die een tolerante open samenleving nastreeft wordt geconfronteerd met intolerante verzetsacties van twee zijden. Wat kan je doen? Wegkijken lijkt geen optie. Van beide zijden zul je gedwongen worden kleur te bekennen. Partij kiezen voor een van de twee waardenstelsels laat de andere partij volledig in de kou staan. Er blijven slechts twee opties over: proberen het contact open te houden met beide partijen, of verzet plegen tegen de intolerantie van beide partijen. Wie zei dat samenleven makkelijk is? Tot dusver de mening van drs. E. de Leede, oud docent methodologie van de RSM, ontstaan in discussies met Ph. van Engeldorp Gastelaars die deze meningen volledig deelt. Dit werd geschreven ter gelegenheid van zijn pensionering.

Een gedachte over “Tolerantie: deugd of ondeugd? (Frits van Engeldorp Gastelaars)

  1. Huub VinkenburgHuub Vinkenburg

    Frits,
    Je heb naar mijn mening een prachtige bijdrage geleverd aan Perspectieven op Kwaliteit. De complexe materie ben je gedegen te lijf gegaan. Ik heb er één vraag over. Je behandelt de tolerantie-kwestie op het niveau van ‘partijen’, van ‘groepen’ en ziet daar eigenlijk slechts twee opties: contact open houden of verzet plegen tegen beide partijen. Volgens mij is er nog een gaatje, maar dan op het niveau van (individuele) persoon tot persoon. Het zou weleens kunnen zijn dat daar mogelijkheden liggen én goede voorbeelden van zijn. Denk aan Romeo en Julia. Amor omnia vincit. Of zit ik er naast?
    Huub Vinkenburg

    Reageren

Geef een reactie